Gebroken sprookjes

Gebroken Sprookjes (Broken Fairy Tales) (1991)

with financial support of the Fonds voor de Scheppende Toonkunst
first performance: April 24-1992, Korzo, The Hague
Lieuwe Visser – bass and speaking voice
The Basho Ensemble
conductor: Jurrien Sligter

Three twelve year old children, for whom Dutch is the ‘second language’ (Said, Mireille and Nining), were asked by the composer to write a fairy tale for this composition. The resulting Dutch is a little clumsy, but very moving. Not one word of the original text has been changed except for the spelling.
Bank seldom uses great literature, that is meaningful enough, that is already finished. And often cast in a form which cannot be changed.
He is interested in texts that may be finished by means of his music. So, he has to have his hands free. The words are blown up or torn from their context. The listener’s point of view is changed. Bank doesn’t look upon a composition as an abstract construction, but rather as a musical story with a non-musical scenario.
The musical material for this composition is very limited. The third part is even entirely unisono.
Such should boost the straightforwardness.

words:

1. HET ONBEKENDE LAND

Er was eens een meisje uit Engeland. Ze moest boodschappen doen voor haar moeder. Ze haalde
haar vriend en toen gingen ze boodschappen en toen ze klaar waren mochten ze gaan zwemmen in het strand. Maar er gebeurde iets. Ze zakten door. Toen kwamen ze bij een onbekend land.
De meisje heette Maria en de jongen heette Marai.
Ze gingen lopen en toen zagen ze een bos, een heel, heel donker bos. Toen gingen ze in het bos. Ze gingde in het lopen. En toen was het donker, gingen ze slapen. Ze werden wakker. Toen gingen ze lopen. Ze zagen iets bewegen. Ze zagen een vogel, een heel mooi vogel. Ze zagen haar gewond. Ze gingen praten en toen zei Marai tegen Maria: ‘Ze ken praten.’
Ze zei: ‘Jullie moeten oppassen. In dit land woont een monster en hij wil alle dieren pakken en opeten.’
En toen zei Marai: ‘Waar woont de monster?’ ‘In de grot van de donkere bergen.’
‘Waar leg het?’
‘Daar, maar er is ook een Baas.’
En de vogel zei: ‘Heb nog meer dieren gepakt en hij wil ook het hele land vernietigen.’
En de vogel zei de laatste woord: ‘Je moet ze redden.’ Toen was hij dood gegaan.
Ze zeiden: ‘We gaan ze redden.’
Toen gingen ze kijken. Toen was een steen gevallen. En toen kwamen de monsters. En ze zagen de kinderen, maar ze gingen weer terug. Maar ze konden niet naar buiten, want ze kennen niet tegen licht, want dan gaan ze smelten; ze gaan altijd ’s avonds naar buiten.
Op een dag kwamen de kinderen weer in het grot, dan met fakkels. Toen kwam een monster aan en hij zag de licht. Toen ging hij smelten.
En zei Maria: ‘Hij smeltte.’
En toen kwamen alle monsters en kijkend in het licht smeltten ze.
En toen kwam de Baas, maar hij smeltte niet. Wil je weten waarom…hij ken niet kijken. Maar ze hadden hem verbrand met de fakkel.
Ze gingen weg en ze hadden een feestje gebouwd van alle dieren in het bos.
Toen gingen de twee naar het water. Toen gingen ze naar hun land.
Toen gingen ze naar huis.
Hun moeder zei: ‘Waar waren jullie?’
Maria zei: ‘Het is een heel lang verhaal en het is goed afgelopen.’
Said

2. EEN SPROKJE

Er was eens een meisje. Ze was een keer van huis weggelopen. Toen is zij bij haar vriendin gaan slapen.
De volgende dag gingen ze wandelen. Kwam een zee tegen die ze nog nooit hebben gezien.
Toen wou ze gaan kijken, want ze heeft heel lang geen zee meer gezien. Toen had de vriendin ze laten schrikken.
Toen valde ze in het water en ze kwam helemaal niet naar boven, maar ze kon helemaal niet zwemmen. Toen huilde ze.
Toen kwam ineens een vis en ze schrok toen die vis kon praten.
Toen vroeg die vis wat er was. Toen vertelde ze dat en toen vroeg ze als er hier geen andere mensen waren.
Toen zei hij dat er wel mensen zijn, maar ze zijn een zeemeermin geworden.
Toen zei die vis een toverwater: ‘Kom maar even mee.’
Toen werd ze ineens een zeemeermin.
Mireille

3. SCHULD

Er was eens heel lang geleden een meisje dat altijd de schuld krijgt van haar moeder en van andere mensen. En ze had nog twee zusjes. Die mogen alles, maar zij niet.
Op een dag ging ze weg en kwam niet meer terug.
De volgende dag had ze thuis gebeld en ze zei tegen haar moeder: ‘Zet al mijn kleren buiten. Ik ga weg van hier, want ik krijg altijd de schuld. Ik krijg niks van jullie, alleen de anderen…ik ga weg!’
En ze woonde midden in het bos.
De moeder zei: ‘Waarom? Kom terug! Je kunt niet zomaar van huis weggaan!’
‘Ik ga weg, ik ga weg! Want toen ik weg was waren jullie niet ongerust, dus wat zoek ik nog bij jullie? Ik ga bij één van mijn tantes blijven en u hoeft mij niet te komen zoeken. Anders ga ik op straat blijven!’
‘Maar Maartje, doe niet zo gek en kom terug!’
‘Maar mama, alles wat Michel en Stevenie doet krijgt ik de schuld.’
Maar plotseling komt er iemand in de telefooncel.
‘Hallo meisje, hoe heet je?’
‘Ik heet Maartje, meneer. Wat moet u van mij?’
‘Wie is dat, wie is dat?’ roept de moeder door het telefoon.
‘Wat moet u? Ik heb geen geld. Ik had maar een kwartje en toen zei die man: geef het dan maar. Ik heb het niet meer. Ik heb het in het telefooncel gegooid.’
Toen ging die man weg.
Toen ging ze verder praten met haar moeder.
‘Zie je nu. Kom naar huis. Nee, blijf daar. Waar zit je? Welke straat? Ik kom je halen met de auto.’
Toen ze thuis was kreeg ze niet meer de schuld en ze kreeg alles wat ze vraagt en ze leven nog lang en gelukkig.
Einde van mijn verhaal.
Nining